CG – 6.4 | ENNIA, DE ACCOUNTANTS EN CBCS
Deze blog gaat over de Casus Ennia en behandelt specifiek het vonnis van 21 januari 2022 van de ACCOUNTANTSKAMER, Zaaknummer 20/2614 Wtra AK. Dit vonnis zelf telt 31 pagina’s. Deze blog is 1 uit een serie van blogs die elk afzonderlijk zullen ingaan op vonnissen bijhorende bij deze spraakmakende zaak.
We gaan door met de Ennia-cassussen in deze blog series. Nu vestigen we aandacht op de Accountants-rol. De Ennia-zaak is al jaren meer dan alleen een financieel drama. Het is ook een governance-verhaal. Een verhaal over bestuur, toezicht, verslaggeving, taxaties, tegenmacht en de vraag wat een accountant moet doen als hij ziet dat er grote risico’s in de cijfers zitten. In deze tuchtzaak keek de Accountantskamer niet rechtstreeks naar Ennia zelf of naar de bestuurders, maar naar twee accountants die de jaarrekeningen van onderdelen van de Ennia-groep hebben gecontroleerd. De centrale vraag was simpel, maar zwaar van betekenis: hebben deze accountants hun werk goed genoeg gedaan, juist gezien de enorme maatschappelijke belangen? Het antwoord van de Accountantskamer was uiteindelijk: op belangrijke punten niet.
UITLEG VAN DE CASUS
De zaak draait om de controle van de jaarrekeningen van verschillende vennootschappen binnen de Ennia-groep. CBCS en een aantal Ennia-vennootschappen dienden een klacht in tegen twee registeraccountants. De ene accountant was opdrachtpartner, dus eindverantwoordelijk voor de controle. De andere was formeel de kwaliteitsbeoordelaar, maar bleek in de praktijk veel nauwer inhoudelijk bij het werk betrokken te zijn geweest dan normaal voor zo’n rol gebruikelijk is.
Ennia was op dat moment niet zomaar een bedrijf. Het ging om de grootste verzekeraar en pensioenbeheerder van Curaçao, Sint-Maarten en andere Caribische delen van het Koninkrijk. Daarmee stonden niet alleen aandeelhouders op het spel, maar ook polishouders, pensioengerechtigden en het vertrouwen in het financiële stelsel. CBCS was als toezichthouder dus geen buitenstaander in dit verhaal, maar een centrale speler. Toen CBCS later de noodregeling aanvroeg, werd pijnlijk duidelijk hoe groot de problemen waren.

De kern van de klacht was dat de accountants te makkelijk genoegen hadden genomen met bepaalde waarderingen en te weinig professioneel-kritisch waren geweest. Vooral drie onderwerpen sprongen eruit: de waardering van Mullet Bay op Sint-Maarten, de latente belastingverplichting die daarmee samenhing, en de waardering van intercompany-vorderingen binnen de groep. Daarnaast speelde de vraag of de accountants, gezien alle signalen, eerder aan CBCS hadden moeten melden dat de afgifte van een goedkeurende verklaring in gevaar kwam.
DE FEITEN
De vorige accountant van Ennia had in maart 2017 (let op het jaartal) zorgen geuit over onder meer de waardering van Mullet Bay en intercompany-vorderingen. Daarna trok het bestuur van Ennia diens opdracht in. Dat is op zichzelf al geen detail. Als een accountant expliciet zorgen uit en vervolgens verdwijnt, dan hoort bij een opvolgende accountant meteen het alarmsysteem af te gaan. Niet automatisch in de zin dat de opdracht dan onmogelijk is, maar wel in de zin dat alles extra scherp moet worden bekeken. In onze kringen bestaat zoiets als “collegiaal overleg” (zie verder).
Daarna kwam een nieuw accountantskantoor in beeld. De opdrachtpartner aanvaardde de controleopdracht en gaf in 2017 goedkeurende verklaringen af bij meerdere jaarrekeningen binnen de groep. Daarbij speelde Mullet Bay een hoofdrol. Dat terrein op Sint-Maarten was een van de belangrijkste activa in de groep. De waardering daarvan woog zwaar door in de vermogenspositie van Ennia. Precies daar zat het probleem: de taxaties liepen enorm uiteen. Een concepttaxatie kwam uit op ongeveer USD 35,4 miljoen, terwijl andere taxaties richting USD 422 miljoen en zelfs USD 436,1 miljoen gingen. Dat verschil is niet een gewone bandbreedte; dat is een kloof. Hoe was dat mogelijk?
Daar kwam nog iets bij. Voor de latente belastingverplichting werd gerekend met een tarief van 2%, gebaseerd op het idee dat later een tax holiday op Sint-Maarten zou gelden. Alleen: zo’n tax holiday was nog niet eens aangevraagd. Bovendien was er onduidelijkheid of die regeling zou blijven bestaan en op welk deel van de waardestijging zij überhaupt van toepassing zou zijn. Als niet 2%, maar 34,5% had moeten gelden, was het verschil in nettowaarde volgens de klagers ongeveer NAf 249,4 miljoen. Dat is geen klein bedrag, maar iets dat het beeld van het eigen vermogen wezenlijk kan vertekenen.
Verder waren er grote intercompany-vorderingen binnen de groep. Een deel daarvan hing samen met vorderingen op groepsmaatschappijen en gelieerde entiteiten. Ook was er een vordering van ongeveer NAf 29 miljoen op een vennootschap zonder duidelijke leningsovereenkomst en zonder rentevergoedingen. Zulke posten vragen om scherpe beoordeling van inbaarheid en waardering. De Accountantskamer vond dat de accountants daar onvoldoende kritisch naar hadden gekeken.
Een ander opvallend feit betrof het overleg met de vorige accountant. Toen dat overleg uiteindelijk wel plaatsvond, kreeg de nieuwe accountant vrij duidelijke signalen mee: zorgen over de integriteit van management en aandeelhouder, over Mullet Bay, over liquiditeit, over non-admissible assets en over het omgaan met regels van CBCS. De vorige accountant zei in feite: hier zitten serieuze problemen, en die zijn niet opgelost. Toch zette de nieuwe accountant de opdracht voort zonder aantoonbaar diepgaande herevaluatie. En juist daar zegt de Accountantskamer: dat had niet gemogen.
HET GESCHIL
Het geschil viel uiteen in vier hoofdonderdelen.
Het eerste onderdeel ging over het aannemen en voortzetten van de opdracht. CBCS vond dat de accountants te lichtvaardig waren ingestapt en onvoldoende oog hadden gehad voor risico’s rond integriteit, onafhankelijkheid en de eerdere waarschuwingen van de vorige accountant. De Accountantskamer ging daarin maar deels mee. Het enkele feit dat niet vooraf collegiaal overleg had plaatsgevonden, was in 2017 nog niet in strijd met de toen geldende regels. Ook het beginnen met controlewerk voordat CBCS formeel geen bezwaar had gemaakt tegen de aanstelling, werd niet tuchtrechtelijk fout gevonden. En ook de vermeende onafhankelijkheidsproblemen en de hoogte van de vergoeding leidden hier niet tot een gegrond oordeel. Maar het voortzetten van de opdracht ná het latere overleg met de vorige accountant, zonder voldoende herbeoordeling, vond de Accountantskamer wel verwijtbaar. Dat onderdeel werd dus gegrond verklaard.
Het tweede onderdeel was het zwaarste: de uitvoering van de controle zelf. Daarbinnen draaide het om vijf subonderdelen. De meest wezenlijke gingen over Mullet Bay, de belastinglatentie en de intercompany exposures. Volgens de klagers hadden de accountants te weinig professioneel-kritisch gehandeld en ten onrechte goedkeurende verklaringen afgegeven. Op die drie kernpunten kregen de klagers gelijk. Bij het onderdeel over opvallende kosten kreeg de klacht maar beperkt gelijk: niet op alle beweerde kostenposten, maar wel op het punt van een gouden handdruk van ongeveer NAf 2 miljoen aan een vertrekkende commissaris. Die post had volgens de Accountantskamer zoveel vragen moeten oproepen dat nader onderzoek nodig was.
Het derde onderdeel ging over de meldplicht aan CBCS op grond van artikel 27a LTV. Als een accountant tijdens zijn werk omstandigheden ziet die de afgifte van een goedkeurende verklaring in gevaar kunnen brengen, moet hij dat melden. Omdat de problemen rond Mullet Bay en de belastinglatentie zo materieel waren, vond de Accountantskamer dat zo’n melding hier inderdaad had moeten plaatsvinden. Dat dit niet gebeurde, werd de opdrachtpartner aangerekend.
Het vierde onderdeel ging over het gedrag van de accountants nadat de noodregeling was uitgesproken en nadat hun opdracht werd beëindigd. Daar kregen de klagers geen gelijk. De Accountantskamer vond onder meer dat discussie over facturatie voor bepaalde werkzaamheden vooral een civielrechtelijk punt was en niet zonder meer een tuchtrechtelijk verwijt opleverde. Ook de overdracht aan de opvolgende accountant duurde volgens de Kamer niet zó lang dat sprake was van schending van fundamentele beginselen.
HET OORDEEL
Het oordeel van de Accountantskamer is hard. Niet alles wat CBCS en de andere klagers de accountants verweten, hield echter stand. De Kamer zegt dus niet: alles was fout. Maar op de punten die er echt toe deden, was het oordeel stevig. De opdrachtpartner had onvoldoende professioneel-kritisch gehandeld bij de voortzetting van de opdracht na de waarschuwingen van de vorige accountant. Hij had ook onvoldoende kritisch gekeken naar de waardering van Mullet Bay, naar de latente belastingverplichting en naar de intercompany-vorderingen. Bovendien had hij een meldplicht aan CBCS geschonden. Voor de tweede accountant gold dat hij, ondanks zijn formele rol als kwaliteitsbeoordelaar, inhoudelijk zo sterk betrokken was bij de probleemonderdelen dat ook hij tuchtrechtelijk verantwoordelijk werd geacht voor de missers rond Mullet Bay, belastinglatentie en intragroup exposures.
De eerste accountant werd voor zes maanden doorgehaald in het register. De tweede voor vier maanden. De Kamer motiveerde dat mede met het bijzondere maatschappelijk belang van verzekeringsgelden en pensioengelden. Bij een verzekeraar moeten polishouders en pensioengerechtigden erop kunnen vertrouwen dat niet alleen het management, maar ook de controlerend accountant zijn werk goed doet. Dat is eigenlijk de morele kern van deze uitspraak.

EEN GOVERNANCE BLIK OP DEZE ZAAK
Deze casus gaat ook over governance: over de kwaliteit van checks and balances, over de betrouwbaarheid van financiële informatie, over de rol van poortwachters, en over wat er gebeurt als belangrijke spelers in het systeem te veel meegaan in aannames van bestuur en aandeelhouder.
De kern van governance is niet alleen dat er regels zijn, maar dat er voldoende tegenkracht in het systeem aanwezig is. Juist bij een verzekeraar als Ennia, waar het uiteindelijk gaat om het geld van polishouders en pensioengerechtigden, moet dat systeem van tegenkracht stevig zijn ingericht. In zo’n omgeving zijn bestuur, raad van commissarissen, toezichthouder en externe accountant geen losse eilanden. Zij vormen samen een beschermingskring rond het maatschappelijk vertrouwen. Als één schakel in die kring te zwak functioneert, werkt dat door in het geheel.
De uitspraak laat zien dat governance niet alleen faalt door openlijke fraude of direct misbruik. Governance verzwakt vaak al veel eerder. Het begint bij het normaliseren van onzekerheden. Bij het accepteren van optimistische waarderingen zonder voldoende tegenonderzoek. Bij het niet hard genoeg doorvragen als een eerdere accountant waarschuwt dat er fundamentele problemen zijn. Bij het leunen op managementinformatie terwijl juist de betrouwbaarheid van dat management ter discussie staat. In die zin is deze uitspraak vooral een les in hoe governance langzaam kan afbrokkelen, nog voordat het systeem formeel instort.
Een eerste belangrijk governance punt in deze zaak is de rol van de accountant als poortwachter. Een controlerend accountant is geen bestuurder en ook geen toezichthouder, maar vervult wel een cruciale rol in het governance-ecosysteem. De accountant moet immers beoordelen of de financiële verantwoording een getrouw beeld geeft. In een normale onderneming is dat al belangrijk. In een verzekeraar is dat nog zwaarder, omdat de financiële positie rechtstreeks raakt aan solvabiliteit, vertrouwen en bescherming van derden. De Accountantskamer zegt eigenlijk: juist in zo’n omgeving mag van de accountant een verhoogde mate van professioneel-kritisch handelen worden verwacht.
Governance-technisch is vooral de behandeling van Mullet Bay veelzeggend. Dat actief was niet zomaar een post op de balans, maar een dragende pijler onder het gepresenteerde vermogen. Zodra een organisatie voor haar vermogensbeeld in sterke mate leunt op één moeilijk te waarderen actief, ontstaat een governance-risico. Dan is niet alleen de waarderingsvraag relevant, maar ook de vraag of bestuur, commissarissen, accountant en toezichthouder voldoende scherp zijn op de afhankelijkheid van die ene post. In deze casus blijkt dat die scherpte onvoldoende aanwezig was. De accountant heeft de tegenstrijdige signalen rond de taxaties niet hard genoeg uitgewerkt. Vanuit governance perspectief is dat een klassiek voorbeeld van te weinig georganiseerde tegenspraak.
Daarmee hangt een tweede les samen: materiële onzekerheid vraagt om materiële tegenkracht. Hoe groter de impact van een aanname op het eigen vermogen of de solvabiliteit, hoe zwaarder de plicht om die aanname onafhankelijk te testen. In deze zaak was er een enorm verschil tussen taxaties, geen concreet ontwikkelingsplan en toch werd aangesloten bij de hoge waardering. Governance draait hier niet alleen om de vraag of een accountant formeel nog net ergens mee wegkomt. Governance vraagt juist: is de kwaliteit van de besluitvorming en de oordeelsvorming in verhouding tot het risico? De Accountantskamer zegt met zoveel woorden dat dat niet zo was.
Een derde governance-les zit in de latente belastingverplichting. Ook hier zie je hoe governance in gevaar komt wanneer technische posten worden gebruikt om een gunstiger beeld van de financiële positie te ondersteunen. Het lage tarief van 2% was gebaseerd op een toekomstige fiscale faciliteit die nog niet eens was aangevraagd en waarvan bovendien onzeker was of die beschikbaar zou blijven. Dat is governance-technisch riskant. Niet alleen omdat de fiscale redenering onzeker is, maar vooral omdat zulke posten door hun technische karakter vaak minder zichtbaar zijn voor niet-specialisten in de raad van commissarissen of voor andere stakeholders. Juist daarom moeten accountant en CFO daar extra zorgvuldig mee omgaan. In deze zaak gebeurde dat onvoldoende. De les is duidelijk: hoe technischer de post, hoe groter de behoefte aan transparantie, documentatie en onafhankelijke toetsing.
Ook de intercompany-vorderingen laten een bekend governance patroon zien. Binnen groepen waar veel intragroup-financiering plaatsvindt, ontstaat al snel het risico dat formele balanswaarden niet meer goed aansluiten op economische realiteit. Op papier lijkt er dan vermogen of verhaalswaarde te zijn, terwijl de onderliggende debiteuren zwak, illiquide of verlieslatend zijn. Governance vraagt dan om meer dan administratieve consistentie. Het vraagt om een eerlijke toets op inbaarheid, economische waarde en concentratierisico. De uitspraak laat zien dat juist op dat punt de noodzakelijke diepgang ontbrak.
Misschien wel de belangrijkste governance-les uit deze zaak zit in het omgaan met waarschuwingssignalen van voorgangers. De vorige accountant had wezenlijke zorgen geuit over waarderingen, liquiditeit, intercompany-verhoudingen en de integriteit van management en aandeelhouder. Dat zijn geen gewone overdrachtspunten. Dat zijn signalen die raken aan de governance basis van de onderneming. Vanuit goed bestuur en goed toezicht geldt dan: zulke signalen moet je niet administratief registreren, maar bestuurlijk wegen. De nieuwe accountant had hier niet mogen volstaan met de gedachte dat hij zelf nog geen slechte ervaringen had. Governance is niet alleen gebaseerd op eigen indrukken, maar ook op het serieus verwerken van institutionele signalen. Dat is hier onvoldoende gebeurd.
De rol van CBCS in deze zaak is vanuit governance perspectief ook interessant. De toezichthouder blijkt in hoge mate afhankelijk van de kwaliteit van de informatie die via jaarrekeningen, accountantsverklaringen en meldingen beschikbaar komt. Dat betekent dat toezicht niet alleen een kwestie is van eigen onderzoek, maar ook van vertrouwen op andere poortwachters in het systeem. Als de accountant relevante signalen niet scherp genoeg beoordeelt en ook niet meldt, dan verliest de toezichthouder kostbare tijd en informatiepositie. Dat geldt overigens ook voor de Raad van Commissarissen. Een belangrijke governance-les is daarom dat extern toezicht alleen effectief kan zijn als de informatieketen daaronder betrouwbaar functioneert. Governance is dus niet alleen verticaal toezicht, maar ook horizontale informatie-kwaliteit.
De uitspraak laat verder zien dat functies en titels in governance niet alles zeggen. De tweede accountant was formeel kwaliteitsbeoordelaar, maar de Accountantskamer keek naar zijn werkelijke betrokkenheid. Omdat hij inhoudelijk zo sterk meedraaide op de cruciale dossiers, werd hij ook inhoudelijk aangesproken. Dat is een belangrijke les voor governance in bredere zin: formele rolbeschrijvingen bieden geen volledige bescherming als de feitelijke invloed groter is. In raden van commissarissen, directies en auditcommissies geldt hetzelfde. Wie materieel invloed uitoefent, draagt ook materieel verantwoordelijkheid.
JURIDISCHE ANALYSE PER DEELONDERWERP
| Deelonderwerp | Juridische vraag | Standpunt klagers | Oordeel Accountantskamer | Korte analyse |
| Aannemen opdracht zonder vooraf collegiaal overleg | Moest vóór aanvaarding overleg met vorige accountant plaatsvinden? | Ja, gezien het hoge risicoprofiel en de negatieve signalen | Ongegrond | In 2017 bestond nog geen expliciete VGBA-plicht tot collegiaal overleg vooraf. Wel was overleg verstandig geweest, maar niet tuchtrechtelijk verplicht. |
| Start werkzaamheden vóór instemming CBCS | Was het verboden om al met controlewerk te beginnen? | Ja, dit was volgens klagers in strijd met de LTV | Ongegrond | De Kamer maakt onderscheid tussen starten met werkzaamheden en het afgeven van een controleverklaring. Dat laatste mocht pas nadat CBCS geen bezwaar had. |
| Onafhankelijkheid accountant | Was sprake van een bedreiging van onafhankelijkheid door contacten tussen accountant en bestuurder? | Ja, wegens eerdere werkrelatie, gedeeld vastgoed en bekendheid | Ongegrond | De Kamer vond de band niet intensief of materieel genoeg. Er was onvoldoende aangetoond dat objectiviteit werkelijk bedreigd was. |
| Hoogte audit fee | Vormde de vergoeding een onafhankelijkheidsrisico? | Ja, omdat de fee een te groot deel van de omzet vormde | Ongegrond | De 15%-regel uit de ViO speelde pas bij twee of meer opeenvolgende perioden. Dat was hier nog niet aan de orde. |
| Voortzetten opdracht na overleg vorige accountant | Had de accountant de opdracht opnieuw kritisch moeten beoordelen? | Ja | Gegrond | Dit is een belangrijk punt. Na het overleg lagen er duidelijke waarschuwingen over integriteit, waardering en liquiditeit. Door niet opnieuw diepgaand te evalueren, schoot de accountant tekort. |
| Waardering Mullet Bay | Was voldoende en geschikte controle-informatie verkregen over deze waardering? | Nee | Gegrond | De verschillen tussen taxaties waren enorm, er was geen concreet ontwikkelingsplan, en relevante taxatie- en waarderingsvragen zijn onvoldoende kritisch onderzocht. |
| Latente belastingverplichting | Kon voor de belastinglatentie worden uitgegaan van 2%? | Nee, dat was veel te onzeker | Gegrond | Geen tax holiday aangevraagd, onzekerheid over wetgeving en onduidelijkheid over de reikwijdte van het lage tarief. Toch werd 2% geaccepteerd zonder voldoende basis. |
| Intercompany en related exposures | Waren de intragroup-vorderingen voldoende kritisch beoordeeld? | Nee | Gegrond | De Kamer vond dat de inbaarheid en waardering van meerdere vorderingen, waaronder een grote vordering zonder duidelijke leningsovereenkomst, onvoldoende waren onderzocht. |
| Opvallende kosten algemeen | Zijn allerlei dubieuze kosten ten onrechte geaccepteerd? | Ja | Gedeeltelijk ongegrond | Voor diverse kostenposten ontbrak volgens de Kamer voldoende onderbouwing van de klacht. Niet alles wat verdacht oogt, is juridisch meteen bewezen. |
| Gouden handdruk commissaris | Had een betaling van circa NAf 2 miljoen aan een vertrekkende commissaris nader onderzocht moeten worden? | Ja | Gegrond | De Kamer vond deze betaling zó opvallend dat extra vragen en frauderisicobeoordeling nodig waren. Dat gebeurde niet. |
| Privégebruik NetJets | Had gebruik van privévluchten nader onderzocht moeten worden? | Ja | Ongegrond | De kosten waren volgens de Kamer niet materieel genoeg en er was ook een zakelijke relatie met Houston via een grote investering. |
| Meldplicht aan CBCS ex art. 27a LTV | Hadden de accountants CBCS schriftelijk moeten melden dat de goedkeurende verklaring in gevaar kwam? | Ja | Gegrond voor Y1 | Door de materiële onzekerheden rond Mullet Bay en belastinglatentie had melding moeten volgen. Dat bleef uit. |
| Gedrag na noodregeling: facturatie | Was het onprofessioneel om bepaalde werkzaamheden aan Ennia te factureren? | Ja | Ongegrond | De Kamer zag dit vooral als een civielrechtelijk geschil over declaraties, niet als duidelijke tuchtrechtelijke schending. |
| Gedrag na noodregeling: overdracht opvolgend accountant | Werkten de accountants onvoldoende mee aan dossieroverdracht? | Ja | Ongegrond | De vertraging was volgens de Kamer niet zo ernstig dat sprake was van schending van fundamentele beginselen. |
| Rol Y2 | Kon ook de tweede accountant tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden? | Ja | Deels gegrond | Omdat hij inhoudelijk sterk betrokken was bij de probleemonderdelen, werd hij niet alleen formeel als kwaliteitsbeoordelaar gezien maar ook materieel als mede-verantwoordelijke. |

Dieudonne (Neetje) van der Veen is financieel en management bedrijfsadviseur. Zijn werk en ervaring liggen vooral op het gebied van financieel management en structurering van bedrijven in nood en Governance on Planning & Control-cycli.
De heer van der Veen heeft een masterdiploma bedrijfseconomie (Erasmus Universiteit Rotterdam), is Registeraccountant (Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants), CFE (Certified Fraud Examiner) en CICA (Certified Internal Control Auditor).