CG-6-7 | WAAROM GROEPSAANSPRAKELIJKHEID NIET ZOMAAR WERKT: DE ENNIA-ZAAK ALS LES
Deze blog gaat over de Casus Ennia en behandelt specifiek het vonnis van 12 September 2023, Registratienummers CUR2022H00008/-H00009/-H00010/-H00011/-H00012/-H00013. Het vonnis zelf telt 143 pagina’s. Deze blog is 1 uit een serie van blogs die elk afzonderlijk zullen ingaan op vonnissen bijhorende bij deze spraakmakende zaak. Dit is een vonnis in Hoger Beroep, welke overigens nog lopende is.
In grote governance zaken klinkt één gedachte vaak logisch: “Ze deden het toch samen?” Dan moeten ze ook samen aansprakelijk zijn.” Dat gevoel begrijp ik goed. Dit onderwerp heb ik uitgekozen om nader te analyseren op basis van mijn Ennia-serie over Governance. De feiten, in de Ennia-casus, lezen als een web van aandeelhouders, bestuurders, commissarissen, gelieerde vennootschappen, investeringsbesluiten, dividenduitkeringen en kostenposten. Dan ligt het voor de hand om te zeggen: dit was één groep, één patroon, één schade.
Maar juridisch werkt het blijkbaar niet zo simpel.

Dat is de reden waarom zowel het Gerecht in eerste aanleg als het Hof in hoger beroep de route van groepsaansprakelijkheid afwijzen. Niet omdat er niets mis was. Niet omdat er geen aansprakelijkheid kan zijn. Maar omdat artikel 6:166 BW specifiek is. En die route past niet zomaar op elk geval waarin meerdere personen betrokken zijn bij slecht bestuur.
WAT ZEGT ARTIKEL 6:166 BW EIGENLIJK?
Artikel 6:166 BW gaat over schade die ontstaat door gedragingen in groepsverband. In gewone taal: als iemand binnen een groep schade veroorzaakt, kunnen ook andere groepsleden aansprakelijk zijn, zelfs als zij de schade niet zelf rechtstreeks hebben veroorzaakt.
Dat klinkt ruim. Maar er zitten duidelijke voorwaarden aan.
Er moet sprake zijn van een concrete groepsgedraging. De groepsleden moeten bewust samen hebben gehandeld. De kans op schade moet zó duidelijk zijn geweest dat zij zich door die kans hadden moeten laten weerhouden. En de gedraging moet aan ieder van hen kunnen worden toegerekend.
Het Hof legt dat in de Ennia-zaak netjes uit. Het verwijst naar de rechtspraak van de Hoge Raad en benadrukt dat artikel 6:166 BW niet alleen gaat over klassieke “rellen” of fysiek groepsoptreden. Eenheid van tijd en plaats is niet nodig. Maar het Hof zegt óók: deelname aan een groep of organisatie is niet genoeg. Het moet gaan om concrete onrechtmatige groepshandelingen die schade hebben veroorzaakt.
WAT PROBEERDE ENNIA?
Ennia stelde dat de betrokken partijen als groep aansprakelijk waren voor de totale schade van meer dan NAf 1 miljard. Het argument was begrijpelijk: er was volgens Ennia een patroon van gedragingen waarbij de belangen van Ennia en haar polishouders werden verwaarloosd. Denk aan S&S, Mullet Bay, dividenduitkeringen, donaties, adviseurskosten, NetJets en andere excessieve uitgaven.
Ennia wees ook op de verwevenheid van de personen. Ansary stond volgens Ennia als “spin in het web” centraal. Palm, Andraous en Van Doorn zouden instructies hebben uitgevoerd of interne besluitvorming hebben geregeld. Nina Ansary zou als commissaris haar toezichtstaak niet hebben vervuld. Parman International ontving dividenden. Er was dus, zo stelde Ennia, een groep die samen schade veroorzaakte.
Maar daar gaat het juridisch mis.
WAAROM HET GERECHT GROEPSAANSPRAKELIJKHEID AFWIJST
Het Gerecht in eerste aanleg maakt korte metten met deze primaire grondslag. Het oordeelt dat van handelen in groepsverband, zoals bedoeld in artikel 6:166 BW, geen sprake is. Niet voor het algemene optreden van de betrokkenen. En ook niet voor de specifieke transacties die Ennia naar voren had gebracht.
Het Gerecht zegt vervolgens iets belangrijks: de aansprakelijkheid moet per persoon worden beoordeeld. Dus: welke formele verantwoordelijkheid had iemand? Was hij bestuurder, commissaris, aandeelhouder of feitelijk bestuurder? Wat heeft hij zelf gedaan of nagelaten?
Daarmee verplaatst het Gerecht de discussie. Niet: “waren zij onderdeel van hetzelfde netwerk?” Maar: “welke concrete norm heeft deze persoon geschonden?”
Het Gerecht wijst groepsaansprakelijkheid dus af, maar dat betekent niet dat niemand aansprakelijk is. Integendeel. Het Gerecht komt op allerlei onderdelen wél tot (individuele) aansprakelijkheid, maar dan via gewone onrechtmatige daad, bestuurdersaansprakelijkheid, commissarisaansprakelijkheid of aandeelhoudersaansprakelijkheid.
WAAROM HET HOF DIE LIJN BEVESTIGT
Het Hof gaat in hoger beroep dieper op artikel 6:166 BW in. Het Hof maakt onderscheid tussen een objectief en een subjectief criterium.
Het objectieve criterium betekent dat iemand een bijdrage moet hebben geleverd aan gedragingen die het gevaar voor schade hebben doen ontstaan. Het moet dus gaan om concrete handelingen in groepsverband.
Het subjectieve criterium betekent dat sprake moet zijn van bewuste samenhang. De persoon moet hebben geweten, of moeten begrijpen, dat het groepsoptreden het risico schiep op de schade die uiteindelijk is ontstaan.
Volgens het Hof schiet Ennia op beide punten mis.
Ja, meerdere personen waren betrokken bij allerlei handelingen. Ja, er waren contacten. Ja, er waren verweven functies. Ja, sommige personen tekenden overeenkomsten, accordeerden betalingen of lieten besluiten passeren. Maar dat maakt nog niet dat er één groepsgedraging was die de volledige schade veroorzaakte.
Het Hof zegt eigenlijk: Ennia beschrijft een breed patroon, maar artikel 6:166 BW vraagt om meer dan een patroon. Het vraagt om een concrete groepshandeling met een voldoende directe band met de schade. En dat was onvoldoende onderbouwd.
WAAROM “SAMEN BETROKKEN” NIET GENOEG IS
In governance zaken is betrokkenheid vaak verspreid. De één neemt een besluit. De ander tekent. Een derde kijkt weg. Een vierde ontvangt voordeel. Een vijfde houdt toezicht, maar grijpt niet in. Dat voelt als samenhang. En vaak ís er ook samenhang.
Maar artikel 6:166 BW vraagt niet alleen om samenhang in algemene zin. Het vraagt om bewuste samenhang rond de schadeveroorzakende gedraging.
Dat is een hogere drempel en dat is goed ook.
Het Hof ziet in de Ennia-zaak juist verschillende combinaties van personen bij verschillende schadeposten. Bij S&S speelde een andere groep en andere rolverdeling dan bij donaties. Bij oil rigs lag de betrokkenheid anders dan bij NetJets. Bij dividend speelde Mullet Bay een belangrijke rol. Bij adviseurskosten weer andere feiten. Daardoor kun je niet alles juridisch samensmelten tot één groepshandeling.
Met andere woorden: het was geen enkele juridische “groepsactie”. Het was eerder een verzameling van verschillende transacties, besluiten en nalatigheden.
DE VALKUIL VAN ARTIKEL 6:166 BW
Voor een eiser is groepsaansprakelijkheid aantrekkelijk. Als het lukt, kan iedereen hoofdelijk aansprakelijk worden voor de hele schade. Dat is proces-strategisch sterk. Je hoeft dan minder precies per persoon uit te splitsen.
Maar juist daarom is de drempel hoog.
Anders zou artikel 6:166 BW te makkelijk worden gebruikt om ingewikkelde governance problemen simpel te maken. Dan zou iedereen die ergens in de bestuurlijke kring zat, automatisch kunnen opdraaien voor alles. Dat is niet fair. Dat wil het recht niet.
Zeker in vennootschapsrechtelijke verhoudingen bestaan al specifieke routes: bestuurdersaansprakelijkheid, commissarisaansprakelijkheid, aansprakelijkheid van feitelijk beleidsbepalers, onrechtmatige daad van aandeelhouders, en soms onverschuldigde betaling. Het Gerecht wijst daar ook op: voor bestuurders en commissarissen kent de wet eigen vormen van collectieve verantwoordelijkheid binnen bestuur en raad van commissarissen.
Artikel 6:166 BW is dus geen vangnet voor alles wat bestuurlijk misging.
ANALYSE
Als verwevenheid en gezamenlijk voordeel al genoeg zouden zijn, wordt aansprakelijkheid te grof. Dan verlies je het onderscheid tussen de dominante beslisser, de uitvoerende bestuurder, de passieve commissaris, de aandeelhouder en de adviseur. De kans dat iemand een dergelijke functie of positie ambieert, wordt ook zeer klein gezien de risico’s (vooral om meegesleept te worden omdat je bij een “groep” hoort/zit).
Het Hof zegt niet dat er geen ernstige fouten zijn gemaakt. Het zegt alleen dat die fouten per onderdeel moeten worden beoordeeld.
Dat zie je ook terug in de rest van het vonnis. Het Hof wijst groepsaansprakelijkheid af, maar houdt wel afzonderlijke personen aansprakelijk voor concrete posten. Ansary blijft op meerdere onderdelen in beeld. Palm en Andraous worden bij bepaalde transacties wél aangesproken. Van Doorn wordt bijvoorbeeld bij de oil rigs juist door het Hof zwaarder beoordeeld dan in eerste aanleg.
Dat is geen vrijspraak van het governance falen. Het is juridische verfijning.
GOVERNANCE LES
De les is duidelijk: in governance zaken is “iedereen wist ervan” niet genoeg. Wie aansprakelijkheid wil aantonen, moet preciezer zijn.
Welke persoon had welke functie? Welke informatie had hij? Welke beslissing nam hij? Welke beslissing liet hij ten onrechte passeren? Welke schade vloeide daaruit voort?
Voor bestuurders en commissarissen is de spiegel net zo duidelijk. Je kunt niet wegduiken in groepsbesluitvorming. Maar je bent ook niet automatisch aansprakelijk voor alles wat in de groep misgaat. De rechter kijkt naar jouw concrete rol. Zorg ervoor dat je concrete rol duidelijk zichtbaar is. Gebruik o.a. de notulen, e-mails, en brieven daarvoor.
TERMINOLOGIE
| Term | Uitleg | Wanneer speelt dit |
| Bestuurdersaansprakelijkheid | Een bestuurder kan persoonlijk aansprakelijk worden als hij zijn bestuurstaak ernstig verkeerd uitvoert. Dus niet bij elke fout, maar bij onbehoorlijk bestuur of handelen dat hem persoonlijk zwaar kan worden verweten. Bestuurders moeten hun taak behoorlijk vervullen en blijven ook verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken binnen de rechtspersoon. | Als een bestuurder besluiten neemt die de vennootschap ernstig schaden, bijvoorbeeld door onverantwoorde transacties, belangenverstrengeling of het negeren van duidelijke risico’s. |
| Commissarisaansprakelijkheid | Een commissaris houdt toezicht op het bestuur. Als hij ernstig tekortschiet in dat toezicht, kan hij ook aansprakelijk worden. Een commissaris hoeft niet zelf de dagelijkse leiding te voeren, maar mag ook niet passief toekijken als er duidelijke rode vlaggen zijn. De Curaçaose regeling bepaalt dat de Raad van Commissarissen toezicht houdt op het bestuur en dat bepaalde aansprakelijkheidsregels ook voor commissarissen gelden. | Als commissarissen signalen zien van mismanagement, belangenverstrengeling of financieel gevaar, maar niets doen. |
| Aansprakelijkheid van feitelijk beleidsbepalers | Dit gaat om iemand die formeel geen bestuurder is, maar zich in de praktijk wel als baas gedraagt. Hij trekt aan de touwtjes, geeft instructies en bepaalt feitelijk het beleid. De wet kent ook aansprakelijkheid voor iemand die het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald “als ware hij bestuurder”. | Als iemand achter de schermen de echte beslissingen neemt, terwijl anderen alleen formeel bestuurder zijn. |
| Onrechtmatige daad van aandeelhouders | Een aandeelhouder is normaal gesproken niet persoonlijk aansprakelijk voor schulden van de vennootschap. Dat is juist het idee van een NV of BV. Maar een aandeelhouder kan wél aansprakelijk zijn als hij zelf onrechtmatig handelt. Bijvoorbeeld door de vennootschap leeg te trekken, crediteuren te benadelen of druk uit te oefenen op bestuurders om schadelijke besluiten te nemen. Aandeelhouders zijn in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk voor schulden van de rechtspersoon, tenzij de wet anders bepaalt. | Als de aandeelhouder niet alleen stemt als aandeelhouder, maar zelf schadelijk of onbehoorlijk handelt. |
| Onverschuldigde betaling | Dit betekent: iemand heeft betaald zonder dat daar een geldige reden voor was. Dan mag het bedrag in principe worden teruggevorderd. Artikel 6:203 BW Curaçao bepaalt dat wie zonder rechtsgrond een goed of geldsom aan een ander heeft gegeven, dit kan terugvorderen. | Als later blijkt dat er geen contract, geen schuld, geen besluit of geen wettelijke basis was voor de betaling. |

Dieudonne (Neetje) van der Veen is financieel en management bedrijfsadviseur. Zijn werk en ervaring liggen vooral op het gebied van financieel management en structurering van bedrijven in nood en Governance on Planning & Control-cycli.
De heer van der Veen heeft een masterdiploma bedrijfseconomie (Erasmus Universiteit Rotterdam), is Registeraccountant (Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants), CFE (Certified Fraud Examiner) en CICA (Certified Internal Control Auditor).