CG – 6.2.1 ENNIA EN BETALINGEN AAN COMMISSARISSEN

CG – 6.2.1 ENNIA EN BETALINGEN AAN COMMISSARISSEN

Deze blog gaat over de Casus Ennia en behandelt specifiek het vonnis van 29 November 2021, Zaaknummers CUR201902842/3843/3796/3844/3845/3846. Het vonnis zelf telt 88 pagina’s. Deze blog is 1 uit een serie van blogs die elk afzonderlijk zullen ingaan op vonnissen bijhorende bij deze spraakmakende zaak. Dit is overigens een vonnis in eerste aanleg. Er loopt nog een hoger beroep. Er is ook een tussenvonnis met een deels andere insteek, maar dat wordt een andere blog.

Dit vonnis van 29 november 2021 in de zaak Ennia c.s. tegen Ansary c.s. en Van Doorn is in mijn vorige blog “algemeen” behandeld. In deze blog wil ik verder uitwijden over een deelaspect en de governance lessen daaruit.

Een belangrijke nuance vooraf: het vonnis noemt de namen en bedragen, en het gerecht verbindt daar duidelijke governance-oordelen aan, maar het vonnis oordeelt niet expliciet dat bepaalde personen onrechtmatig zijn betaald omdat sommige familiebanden, politieke connecties of andere machtsrelaties hadden. Die persoonlijke of politieke relaties kunnen governance-technisch wel degelijk relevant zijn, maar dan vooral als risico-indicator, als schijn van belangenverstrengeling en als factor die de onafhankelijkheid van besluitvorming kan aantasten. Dat onderscheid wil ik ook bewaken in deze blog.

BETALINGEN AAN COMMISSARISSEN: HOE HOGE VERGOEDINGEN ONAFHANKELIJK TOEZICHT KUNNEN UITHOLLEN

Het vonnis laat zien dat in de periode 2006-2018 aan commissarissen in totaal NAf 18,659,504 aan vergoedingen en bonussen is betaald. Tegelijk stelt het vonnis dat de standaardvergoeding rond de overname ongeveer NAf 52.780 per jaar bedroeg. In latere overwegingen zegt het gerecht dat het excessieve deel van die vergoedingen uitkomt op NAf 14.234.309. Sommige individuele bedragen springen er echt uit, zoals ruim NAf 7,7 miljoen voor de ene commissaris en bijna NAf 3 miljoen voor de andere. Dat alles tegenover een vergaderfrequentie van slechts twee à drie bijeenkomsten per jaar.

Het gerecht is hier open in zijn formulering. Het zegt dat deze vergoedingen, zeker gezien het beperkte aantal bijeenkomsten, vragen oproepen over ratio, proportionaliteit en rechtvaardiging. Verder zegt het dat uit de stukken niet blijkt van bijzondere inspanningen door commissarissen, een commissaris uitgezonderd, en dat een andere commissaris zelfs in het geheel niet blijkt van enige activiteit ten behoeve van Ennia. Dit is ook een governance-les: Zorg ervoor dat uit de RvC-agenda’s, notulen en overige documentatie duidelijk blijkt dat actief toezicht is gehouden.

Dan volgt de kernzin: de conclusie kan geen andere zijn dan dat ook ten aanzien van de commissarisvergoedingen sprake is geweest van excessieve, onzakelijke uitgaven. Het gerecht zegt expliciet dat daarmee mogelijk ook de van een raad van commissarissen te verwachten onafhankelijkheid in gevaar werd gebracht.

 

WAAROM VERZWAKT DIT GOVERNANCE?

Ook hier zal ik meerdere hoeken uit elkaar trekken.

1 | De eerste verzwakking is “koopbare mildheid”

Je hoeft juridisch niet te bewijzen dat iemand letterlijk is omgekocht om governance-technisch een probleem te hebben. Als commissarissen jaar na jaar vergoedingen ontvangen die ver boven de lokale norm en boven de standaardvergoeding liggen, ontstaat vanzelf de vraag: hoe onafhankelijk blijf je nog als je positie zo lucratief is?  Het risico is dan niet per se de openlijke deal, maar de (mogelijke) geleidelijke verzachting van kritische scherpte.

2 | De tweede verzwakking is verlies-aversie

Hoge vergoedingen creëren iets psychologisch heel krachtigs: mensen willen ze niet kwijtraken, vooral als ze dat soort bedragen niet gewend zijn. En precies dat kan toezicht aantasten. Een commissaris die weet dat kritisch optreden kan leiden tot conflict, uitsluiting of einde benoeming, terwijl de vergoeding buitengewoon aantrekkelijk is, kan ongemerkt in een mildere rol schuiven. Niet omdat hij zichzelf als corrupt ziet, maar omdat het menselijk lastig is om heel kritisch te zijn op een systeem dat jou uitzonderlijk goed beloont. Het veilige zwijgen is dan makkelijker dan het moeilijke spreken.

3 | De derde verzwakking is statusbinding

In kleine eilandcontexten telt niet alleen geld, maar ook status. Commissariaten bij grote instellingen geven toegang, zichtbaarheid en netwerkpositie. Als daar dan ook nog uitzonderlijk hoge vergoedingen aan hangen, versterkt dat de sociale binding aan het centrum van de macht. Toezicht wordt dan minder een onafhankelijke rol en meer een vorm van toetreding tot de inner circle. Ik denk dat dit ook sterk heeft kunnen meespelen.

4 | De vierde verzwakking is afvlakking van morele verontwaardiging

Als hoge vergoedingen worden genormaliseerd, wordt het moeilijker om op andere uitgaven of risico’s nog hard te reageren. Wie zelf profiteert van een bovenmatige structuur, zal minder snel de vraag stellen waarom er ook elders onzakelijke betalingen plaatsvinden. Governance verzwakt dan niet alleen op het punt van de vergoedingen zelf, maar over de hele linie.

5 | De vijfde verzwakking is verwarring tussen toezicht en loyaliteit

Een raad van commissarissen hoort loyaal te zijn aan de instelling, niet aan de persoon die de beloningen mede faciliteert. In het verzoekschrift wordt zelfs gesteld dat Ansary steevast persoonlijk betrokken was bij de toekenning van bonussen en andere vergoedingen aan commissarissen. Ook als je dat punt strikt juridisch even loslaat, laat het governance-technisch precies zien waar het schuurt: degene op wie toezicht moet worden gehouden, raakt te dicht betrokken bij het creëren van financiële afhankelijkheid van de toezichthouders.

6 | De zesde verzwakking is verkeerde selectie

Zeer hoge vergoedingen trekken niet alleen goede mensen aan; ze trekken ook mensen aan die vooral door de vergoeding, de status of de nabijheid tot macht worden gemotiveerd. Dan verschuift het profiel van de RvC van onafhankelijke kritische toezichthouders naar mensen die zich comfortabel voelen in een loyale of volgzame rol. Dat is misschien minder zichtbaar op dag één, maar op termijn uiterst schadelijk.

 

GOVERNANCE LESSEN UIT DIT ONDERDEEL

Ook hier zijn diverse lessen te leren.

Les 1: de beloning van commissarissen moet onafhankelijkheid ondersteunen, niet ondergraven. Als de vergoeding te hoog wordt, ontstaat het risico dat toezicht psychologisch en sociaal minder onafhankelijk wordt.

Les 2: ongewoon hoge vergoedingen vragen altijd om extra verantwoording. Niet alleen: is het toegestaan? Maar ook: is het uitlegbaar, proportioneel en passend bij de tijdsbesteding en prestaties?

Les 3: een RvC moet nooit financieel te afhankelijk worden van de structuur waarop hij toezicht houdt. Want dan verschuift het zwaartepunt van kritisch toezicht naar behoud van positie.

Les 4: de schijn van beïnvloeding is al governance-schade. Zelfs zonder direct bewijs van omkoping of quid pro quo tast een patroon van buitenproportionele vergoedingen het vertrouwen in onafhankelijk toezicht aan.

Les 5: in kleine samenlevingen moet de lat voor integriteit en transparantie juist hoger liggen, niet lager. Omdat persoonlijke, sociale en bestuurlijke lijnen daar sneller door elkaar lopen.

 

SLOT EN REFLECTIE

Ik verwijs ook naar een vorige blog over betalingen aan adviseurs. Samen met deze blog wil ik een mogelijke patroon suggereren.

Bij de betalingen aan adviseurs en netwerkpersonen wordt geld mogelijk gebruikt om een informele schil om de macht heen te financieren. Bij de betalingen aan commissarissen wordt geld mogelijk gebruikt op een manier die de scherpte en onafhankelijkheid van het formele toezicht kan afzwakken.

Met andere woorden: aan de ene kant wordt de informele invloedssfeer gevoed, en aan de andere kant wordt de formele tegenmacht zachter gemaakt.

En precies dát is hoe governance langzaam uit balans raakt. Niet altijd door één grote illegale klap. Vaak juist door jarenlang kleine en grotere financiële keuzes die hetzelfde effect hebben: meer loyaliteit aan personen, minder loyaliteit aan de instelling. Zoek hierbij ook een vergelijk met de werkwijze van de huidige Amerikaanse president of andere autocratische leiders.

Tot slot: Het bovenstaande is misschien wel een van de belangrijkste lessen uit dit vonnis. En tot hier deze blog. Op naar de volgende.

Dieudonne (Neetje) van der Veen is financieel en management bedrijfsadviseur. Zijn werk en ervaring liggen vooral op het gebied van financieel management en structurering van bedrijven in nood en Governance on Planning & Control-cycli.

De heer van der Veen heeft een masterdiploma bedrijfseconomie (Erasmus Universiteit Rotterdam), is Registeraccountant (Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants), CFE (Certified Fraud Examiner) en CICA (Certified Internal Control Auditor).

Share This Post

Leave a Reply